Taalcoach – Lies

Lies “Mijn man en ik hadden een champignonkwekerij hier in Kessel. Ik hielp mee in het bedrijf en heb ook een periode gewerkt als docente op het vmbo. Toen ik zestig werd zijn mijn man en ik gestopt met het bedrijf. Ik ben daarna tien jaar mantelzorger geweest voor hem. Mijn man had een ernstige vorm van kanker. Iets meer dan twee jaar geleden is hij gestorven. Na zijn overlijden had ik opeens heel veel tijd over. Ik heb me toen aangemeld als vrijwilliger bij de dorpsdagvoorziening in het woon-zorgcomplex. Via die weg hoorde ik dat er een werkgroep op zoek was naar een taalcoach voor  nieuwe statushouders hier in het dorp. Ik heb me direct aangemeld en werd gekoppeld aan een Syrisch gezin. Na verloop van tijd kreeg ik er nog een gezin bij. Ik bezoek beide gezinnen wekelijks en samen oefenen we de Nederlandse taal. Gewoon bij ze thuis aan de keukentafel. Toen de statushouders hier net woonden spraken ze nog amper Nederlands. We begonnen met kinderboekjes uit de bibliotheek maar inmiddels leren we uit boeken die ze gebruiken in de Nederlandse les op school. Ze zijn enorm vooruitgegaan en werken keihard om hun leven in Nederland op te bouwen. We behandelen de lesstof die ze op school krijgen en we maken samen huiswerk. Ik ben een soort huiswerkbegeleider, docent en hulpverlener in één. Het werk als taalcoach vult ongeveer de helft van mijn week. Het voelt alsof ik er een hele nieuwe familie bij heb gekregen. De statushouders zijn ontzettend gastvrij en zien mij soms als hun eigen moeder of oma. Ze missen hun familie en thuisland en praten hier vaker over met mij. Soms zwaai ik naar hun familieleden in het thuisland via Skype. Ze zijn dan in gesprek en zeggen: ‘Even zwaaien naar onze Nederlandse moeder.’ Soms zitten we een hele middag te praten en ben ik een soort uitlaatklep voor ze. Beide gezinnen hebben een zware tijd achter de rug. Soms voelen ze de behoefte om hier met iemand over te praten. Ik vind het fijn dat ik een luisterend oor kan bieden. Zowel de ouders als de kinderen van beide gezinnen moeten naar school. Die verplichting is organisatorisch soms een heel gedoe, omdat de kinderen andere lestijden hebben dan de ouders. Ik ben geen oppas-oma voor ze en dat ga ik ook niet worden. De opvang van de kinderen regelen ze onderling. Er is inmiddels een hechte gemeenschap ontstaan onder de statushouders in Kessel. Ze steunen elkaar en vangen elkaars kinderen op als dat nodig is. Ik ben nu vierenzeventig en zolang ik gezond blijf en de gezinnen behoefte hebben aan een taalcoach, blijf ik dit doen. Het is ontzettend leuk en dankbaar vrijwilligerswerk.”